metaprofiel

Het Metaprofiel – De gids om mensen diepgaand te kennen

Het metaprofiel… Een schitterende tool die bijvoorbeeld van pas komt bij belangrijke interviews. Je gaat hiermee écht diep met de ander. Of het nou bijzondere diepte-interviews zijn, observaties van vermogens van experts of voor coachingssessies… Je gaat er resultaten mee boeken.

metaprofiel

Waarom het metaprofiel?

Een van de redenen om het metaprofiel op mensen toe te passen, is dat je hierna precies weet hoe je de betreffende persoon moet behandelen.

  • Ik kan de zintuiglijke voorkeur van de groep verwerken in mijn taal: als de een deelnemer zegt: “Het was schitterend en schilderachtig” zeg ik niet: “Wow, het moest vast heel goed voelen.” Maar wel: “Wow, ik zou me niet kunnen voorstellen wat voor helder uitzicht je daar gehad moest hebben”.
  • Ik kan nog beter hun metaprogramma’s in beschouwing nemen bij het maken van Rapport. Is iemand detail-georiënteerd, dan maak ik kleine gebaren en leg ik ideeën in kleine stapjes uit. Denkt iemand juist in grotere chunks, dan maak ik grote gebaren met mijn hele arm en praat ik meer in grote lijnen.
  • Ik kan de volgende vragen aan mezelf stellen: Ken je mensen die al met succes rapport heeft opgebouwd met deze persoon? Wat kan je van ze leren? Wat is hun achtergrond? Welke andere hulp kan je gebruiken? Wat is de eerste stap?
  • Ik kan extra goed gaan observeren en luisteren! Daarbij zoek ik naar kansen om op in te spelen.
  • Ik speel in op de voorkeuren van de andere persoon of groep personen. Zo pas ik mijn communicatie op ze aan.
  • Ik kan erg diepe interviews houden, waardoor ik sterke artikelen schrijf voor allerlei media.
  • En zo kun je nog meer situaties en voorbeelden bedenken wanneer het metaprofiel nuttig zou zijn.

Een metaprofiel bestaat uit het houden van een gesprek (oppervlaktestructuur), maar ook uit de gedragingen en patronen die je observeert (dieptestructuur). Je kunt op allerlei manieren achter iemands metaporofiel komen, dus niet alleen via gesprekken. Laat de ander bijvoorbeeld een kunstwerk maken met de spullen die op dat moment voor handen zijn. Observeer die persoon op dat soort momenten. Het liefst bestaat het kunstwerk uit voorwerpen, zoals stoelen, in combinatie met mensen.

De elementen van het metaprofiel

Hieronder vind je een aantal elementen van het metaprofiel. Een gepaste opmerking is dat iedere NLP’er andere elementen gebruikt voor het metaprofiel. Ga dus niet blind van deze ingredienten uit.

Element 1 – De Logische Niveaus uitvragen

Dit is een van de essentiële onderdelen van het metaprofiel. Begin het interview simpel: vraag via de logische niveaus waar iemand zich in zijn dagelijks leven bevindt en wat hij doet. Naarmate je in het model van de logische niveaus klimt, ga je steeds dieper met de ander. Zo kom je zelfs uit bij de ware identiteit en missie van de ander.

Element 2 – Kerncriteria

Kom er in het gesprek achter welke waarden voor de ander het allerbelangrijkste zijn, voor zover je dat nog niet bij de logische niveaus hebt gedaan. Eventueel kun je de techniek ‘kernspeurder’ of ‘kernmandala’ gebruiken. Hierover later een artikel.

Element 3 – Primaire sorteerstijl / Procesordening

Waar let de ander het eerste of het meeste op?

  1. Activiteiten
  2. Mensen
  3. Plaatsen
  4. Dingen
  5. Informatie

Zo kom je erachter wat de volgorde voor deze persoon is: stel de volgende vragen en let goed op welke zaken de ander als eerste noemt. Breng er een volgordelijkheid in aan.

  • “Wat is iets indrukwekkends dat je de laatste tijd hebt meegemaakt?“
  • “Vertel me eens over je tijd in Malaga.”
  • “Stel we gaan een feest organiseren samen, wat regelen we dan als eerste?”
  • Kan je het feest beschrijven?
  • “Hoe weten we straks of we ons werk goed gedaan hebben, of het feest een succes was?”
  • Vertel eens over een werksituatie die heel goed bevallen is?

Element 4 – Tote-analyse: DVD (inclusief innerlijke strategie)

Je gebruikt deze analyse om het excellente gedrag of de successen van de ander in kaart te brengen. Je ontleedt het tot gedrag wat ieder ander mens ook zou kunnen reproduceren. Pak hierbij 1 specifieke context! Let goed op de (wisselingen in de) interne toestand. Doe ook alles direct zelf na. Zo kunnen er meer vragen opkomen die je kunt bedenken.

  • Input: hoe weet je dat je moet beginnen? Waar Let je op? DVD: wat Denk je, Voel je en Doe je (precies)?
  • Test: wat is voor jou op dat moment het belangrijkste? Hoe weet hij of dat criterium wel of niet gehaald wordt? DVD?
  • Operate: Wat doe je innerlijk? Interne toestand: emotioneel. Interne weergave: welke representatiesystemen, strategieën en submodaliteiten gebruikt hij? DVD?
  • Exit: hoe weet je dat je klaar bent? Wat ga je dan doen?  Met andere woorden: waar let je op om je heen? Waar gaat het je om? Wat was het eindresultaat? Wat gebeurt er daarnaast innerlijk? DVD?

Je kunt de volgende tekens gebruiken om de innterlijke strategie uit te werken:

  • VAKOG: Visueel, Auditief, Kinesthetisch, Olfactoir en Gustatoir
  • ie: intern, extern
  • ch: construerend, herinnerend
  • +-: positief, negatief

Element 5 – Systemische bedding

  • Hoe heeft je jeugd een voedingsbodem of bron gevormd voor deze expertise?
    Bv uit overnemen of afzetten en tegenovergestelde doen. Of gemis of pijn uit hun jeugd wat transformeert tot kracht.
  • Hoe was jouw talent als jong kind zichtbaar?
  • Welke rol hebben je ouders daarbij gehad?
  • Hoe herken je je vader of moeder in dit talent?
  • Uit welk gemis of uit welke moeite binnen je gezin is dit talent ontstaan?
  • Aan wie ben je enorm trouw middels dit talent
  • Hoe was het onvermijdelijk dat je dit zou gaan doen
  • Wat heb je juist meegekregen en behouden?
  • Wat heb je je tegen afgezet en tegenovergesteld gegaan?

 Element 6 – MBTI

mbti

Element 7 – Metaprogramma’s

De vragen of opdrachten onder de bullets kun je gebruiken om antwoord te krijgen op de vraag welke metaprogramma’s bij de persoon horen waar je dit op toepast.
Opmerking: de weergave hieronder is nog niet optimaal: een work in progress.

  • Positief Negatief
  • Bereiken Vermijden

Wat wil je met het doelvermogen?

Wat is het resultaat als het gaat zoals je wil?

  • Match Mismatch

Laten we pizza halen.

Den Bosch station: ik vind die groene zuilen zo mooi. “Ja, en dan moet je kijken hoe ze het verprutst hebben met die nieuwe.”

  • Overeenkomst Verschil

Leg drie dezelfde munten op tafel, waarvan eentje de andere kant op ligt dan de de andere twee. Vraag dan: ‘Wat is de relatie tussen deze drie munten?’

Wat valt je op als je x en x vergelijkt?

  • Procedure Opties

Waarom doe je wat je doet?

Waarom heb je hiervoor gekozen?

  • Abstract/globaal Concreet

Kun je een begrip/techniek/iets aan mij leren?

  • Van globaal naar specifiek Van specifiek naar globaal

Kun je een begrip/techniek/iets aan mij leren?

  • Algemeen Detail
  • Grote chunk Kleine chunck
  • Volgorde Willekeur

Kunstwerk laten maken.

  • Zorg voor anderen Zorg voor zelf
  • Intern actief Extern actief

Gaan de ogen naar links-onder?

  • Intern referentiekader Extern referentiekader

Kunstwerk laten maken en afwachten hoe het afgesloten wordt.

Hoe weet je dat je een goede keuze hebt gemaakt?

Weet je dat van binnenuit of vertellen anderen het je?

  • Proactief Reactief

Ga je in een nieuwe situatie vrijwel meteen over tot handelen of bestudeer je eerst de situatie alvorens te handelen?

Neem je snel initiatief of wacht je eerst af?

  • Ik, Ik en zij, Wij

Vertel over een werksituatie die je goed bevallen is

  • Stress reactie Denken (gedissocieerd)
    Voelen (geassocieerd)
    Keuze
    Doen

Vertel over een werkervaring waar je het moeilijk mee had, wat deed je toen?

  • Structuur van de subjectieve ervaring:
    Interne processen
    Interne toestand
    Extern gedrag
  • Centrale persoon:
    sorting by self
    sorting by other
  • Vergelijkingen
    Zelf-zelf
    Zelf-ander
    Zelf-ander-zelf
    Ander-ander

Hoe goed ben je in je werk? Hoe weet je dat?

  • Hoog tempo Laag tempo
  • Weinig visueel Veel visueel
  • Weinig auditief Veel auditief
  • Weinig kinesthetisch Veel kinesthetisch

Let op de allereerste oogbewegingen.

Beschrijf het evenement dat je laatst meemaakte.

Hoe weet je dat iemand goed is in doelvermogen?

  • Weinig in het verleden Veel in het verleden
  • Weinig in het heden Veel in het heden
  • Weinig in de toekomst Veel in de toekomst
  • Geordend Willekeur
  • Weinig in de eerste positie Veel in de eerste positie
  • Weinig in de tweede positie Veel in de tweede positie
  • Weinig in de derde positie Veel in de derde positie
  • Vertelt geassocieerd Vertelt gedissocieerd

Element 8 – In time of Tru time

Mensen die door de tijd zijn:

  • De tijdlijn gaat van links naar rechts of van rechts naar links. Er is dan in ieder geval geen enkel stukje van de tijdlijn achter je.
  • Gedissocieerd. Deze mensen kijken naar zichzelf in de herinnering.
  • Uren bepalen het geldbedrag dat verdiend wordt.
  • Willen waar voor hun geld krijgen door de tijd van een dienst volledig op te maken.
  • Zijn orderlijk, netjes, houden niet van chaos.
  • Zijn op tijd, of weten dat ze te laat zijn.
  • Kunnen niet omgaan met: “Later zul je erop terugkijken en erom lachen.” Want voor deze mensen liggen de herinneringen altijd al voor ze, of in ieder geval in hun gezichtsveld en dus niet achter ze.
  • Bundelen hun herinneringen tot 1 gestalt. “Ik kan aan mooie en negatieve herinneringen denken. Maar niet aan een specifieke.” Om toch een specifieke te vinden kun je zeggen: “Als de tijdlijn van links naar rechts gaat: blader terug door je herinneringen heen als de bladzijden van een boek.

Mensen die in de tijd zijn:

  • Kunnen makkelijk geassocieerd herinneringen ervaren.
  • Makkelijker om in het nu te zijn want zijn. Het verleden en toekomst liggen niet constant pal voor ze.

Kom er op deze manier achter of iemand door of in de tijd is:

  • Waar ligt voor jou het nu en In welke richting ligt voor jou het verleden en de toekomst?
  • Stop en herinner een herinnering van het verleden. Nu (!), uit welke richting kwam de herinnering?
  • Nu, denk aan iets dat in de toekomst gaat gebeuren. Nu, uit welke richting kwam die herinnering naar je toe?
  • controle: Bijvoorbeeld als het antwoord links was: ‘Als je die richting kijkt, zie je dan alle herinneringen van het verleden?’

Element 9 –  Welke ankers en/of terugkerende patronen merk je op?

Kijk goed of je van nature triggers en responses (ankers) opmerkt bij deze persoon, die constant terugkeren (patronen: wat doet hij steeds opnieuw?)

Element 10 – Fysiologie

Let op het volgende bij de ander:

  • Ademhaling
  • Gezichtsuitdrukkingen
  • Gebaren
  • Oogbewegingen
  • Ademhaling
  • Tonaliteit
  • intonaties
  • Onbewuste non-verbale reacties

Doe alles direct na, want hierdoor word je niet allen direct de expert, maar kunnen er ook extra vragen opkomen.

Simpel voorbeeld van een toepassing van het metaprofiel

Ik gaf ooit eens een workshop aan een groep senioren. Ik zorgde dat ik informatie over deze groep verkreeg, en ik speelde erop in:

Actie 1

Tijdens presentaties zitten ze liever passief achterover.

Reactief: ze willen lekker rustig luisteren en niks doen.

Daarna heb ik ze tijdens de training juist weinig vragen gesteld, dus weinig interactie tijdens de presentatie. De senioren willen namelijk liever passief naar een presentatie luisteren.

Actie 2

Ze komen naar de computerclub voor vragen aan de helpdesk.

Extern referentiekader: ze zoeken voor bevestiging en hulp bij de mensen met verstand over computers

Ik geef ze de validatie en bevestiging die ze zoeken door ze te bemoedigen als ze met hun vraag naar mij komen.

Actie 3

Ze komen voor de gezelligheid.
De computerclub is voor veel senioren een sociale gelegenheid.

Een kerncriterium is dus: gezelligheid

Ik weet hierdoor dat het oké is om grapjes te maken.

Actie 4

De leden komen ook om een training bij te wonen.

Leren is dus een kerncriterium.

Ik heb in mijn presentatie veel feitjes en tips gestopt.

Actie 5

Negatief: ze klagen over de vernieuwingen in de computers en dat ze zeggen dat ze niet nodig zijn.

Ik maakte verwijzingen naar “die goede oude tijd” en verwees naar vernieuwingen met het bijwoord ‘vervelend’.

Actie 6

Een van de groepsleden die ik sprak praatte heel snel. Dat was de jongste (40 jaar).

Ik sprak ook snel terug met hem toen ik hem apart sprak.

Actie 7

De overige groepsleden praten op een langzamer tempo.

Tijdens de presentatie sprak ik erg langzaam.

Hoe maak jij gebruik van het metaprofiel?

Er is veel mogelijk met het metaprofiel. Laat in de reacties weten wat jij ermee doet!

Gerelateerde artikelen: ook interessant?

Bedankt voor het lezen. Reageer even hieronder & deel dit met je vrienden!