submodaliteiten

Submodaliteiten – De ultieme lijst [Checklist]

In dit artikel vind je de checklist van submodaliteiten die je kunt gebruiken voor verschillede NLP-oefeningen, zoals een contrastanalyse, en vervolgens bijvoorbeeld een ‘like to dislike.’ Een overzicht van submodaliteiten komt in de onderstaande paragrafen aan bod.

Wat zijn submodaliteiten?

In NLP zijn we meer geïnteresseerd in de context, structuur en het proces van de interne representaties die we maken, dan in de inhoud ervan. Submodaliteiten zijn de fijnere componenten die de structuur van onze interne representaties creëren. Door de submodaliteiten te veranderen, verander je voor de client de de betekenis van die representatie! Submodaliteiten zijn de manier hoe we onze interne beelden, geluiden en gevoelens coderen, om een betekenis te geven aan de representatie.

Wat kan ik met submodaliteiten?

Als je goed met submodaliteiten kunt werken, kun je krachtige interventies doen en mensen helpen om meer opties te creëren.

  • States oproepen en versterken door de elementen uit het rijtje ‘VAKOG’ langs te gaan.
  • Met het veranderen van submodaliteiten verander je de eigenschappen van een ervaring. Je kunt bij die oefeningen prima gebruik maken van miltontaal om het makkelijker te maken. Bijvoorbeeld: “Sta toe dat de kleur verandert.” etc. Ook kun je doen alsof je een afstandsbediening hebt waarmee je alle submodaliteiten kunt bedienen. Er zijn altijd uitzonderingen gerelateerd aan inhoud. Kaarslicht of zonsondergang heeft bijvoorbeeld juist charme in donker.
  • Een van de toepassingen is dat je de submodaliteiten van een negatieve herinnering kunt uitvegen of juist mooier maken zodat de herinnering draaglijker of mooier wordt. Probeer in dat geval de inhoud wel hetzelfde te houden. Dat maakt het geloofwaardiger voor de cliënt, waardoor ze er makkelijker in meegaat. Je verandert alleen de eigenschappen van die inhoud. Dat zorgt er ook voor dat je niet per se geheugenverlies aan het creëren bent. Alle data is er nog. Je hoeft jezelf nu tenminste niet meer bloot te stellen aan die ene onaangename ervaring want het gebeurt veilig op een afstandje en gedimd. De herinnering heeft wel plaatsgevonden maar je kunt het effect op je in de toekomst beïnvloeden. Slechts de kaart van die herinnering is aangepast. Je kunt dus kiezen welke zin je geeft aan wat je overkomt.
  • Motiveren, bijvoorbeeld door de submodaliteiten van een leuke taak te koppelen aan een vervelende taak. Bijvoorbeeld het gevoel van plezier. Link plezier dus aan productieve dingen die je wil doen. Hier bestaan diverse oefeningen voor.
  • Gebruik alle submodaliteiten (VAKOG) bij veel oefeningen! In bijna alle gevallen bieden ze inspiratie voor de oefening. Alleen al het laten beschrijven van wat de cliënt ziet of hoort kan al waardevol zijn.
  • Je kunt iets eenvoudig onthouden door een ‘VAK’tje’ te doen. Wil je bijvoorbeeld iemands naam onthouden, zie de naam dan voor je geschreven, hoor de naam uitgesproken worden en stel je voor hoe de letters van de naam aanvoelen als je ze aanraakt.

submodaliteiten

Voorbeelden van submodaliteiten – Om te gebruiken bij NLP-oefeningen

Visueel

  • Zie je het geassocieerd of gedissocieerd?
  • Kleur: is het in kleur of in zwart-wit?
  • Intensiteit/verzadiging van de kleur: zijn de kleuren levendig/helder/intens/vel/briljant of dof?
  • Helderheid: is het beeld helderder of donkerder dan normaal? Hoe helder is het? Je kunt het beeld over-verlichten om voor minder details. Werkt dat nog niet? Over-verlicht het dan nog wat meer.
  • Contrast: is er een hoog contrast of een laag contrast?
  • Scherpte: is het beeld gefocust en dus scherp, of vaag?
  • Textuur: is de textuur van het beeld glad of ruw?
  • Mate van detail: zijn er details op de voorgrond en achtergrond? Zie je de details als onderdeel van het geheel of moet je je focus veranderen om ze te kunnen zien?
  • Grootte: hoe groot is het beeld?
  • Is het gekaderd/omlijst of is het panoramisch?
  • Afstand: hoe dichtbij of ver weg is het beeld specifiek? Neem wat afstand, is het al minder erg? Neem nog wat meer afstand.
  • Vorm: wat voor vorm heft het beeld? Is het vierkant, rond, rechthoekig?
  • Grens: zit er een grens aan het beeld? Heeft de grens een kleur? Hoe dik is het?
  • Locatie: waar is het beeld in de ruimte?
  • Hoek: vanuit welke hoek zie je het?
  • Proportie: zijn de groottes van de voorwerpen in het beeld in proportie met elkaar? Zijn ze groter of kleiner dan in het echt?
  • Dimensie: is het beeld 3D of plat?
  • Enkel of meerdere: zie je een beeld of meerdere fragmenten? Zie je ze samen tegelijk of steeds na elkaar?
  • Aantal: hoeveel beelden zijn het?
  • Beweging: is het een film of een momentopname, een stilstaande afbeelding?
  • Tempo: hoe snel zijn de bewegingen? Sneller of langzamer dan normaal?
  • Is het beeld stabiel?
  • Welke richting gaat het beeld op?
  • Zie je het op de voorgrond of op de achtergrond?

Manieren om visuele submodaliteiten te veranderen
Submodaliteiten veranderen is simpel als je gebruikmaakt van een contrastanalyse: je verandert de submodaliteiten van de ene representatie in de submodaliteiten van de andere representatie. Daarnaast zijn er nog een aantal creatieve manieren:

  • Het beeld zo draaien en vergroten dat het je visie helemaal bedekt
  • Groter beeld, helderder, kleuriger, dichter naar je toe,
  • De grootteknop draaien om die negatieve persoon tot een miezerig klein mannetje te maken(voordoen).
  • Verander het in een cartoon – Pinokkio neus.
  • Geef mensen lange oren: Mickey Mouse-oren.
  • Versneld terugspoelen: laat ze hun woorden inslikken.
  • Zwartwit, donkerder, eruit stappen en verkleinen tot een stip. Stuur het beeld naar de zon om te vernietigen. Het is zo grappig bijna dat het zon klein puntje is nu en zo ver weg.
    of energieveld overdragen naar mij.
  • Maak kleiner, verder, nog verder gaan dan zwart wit tv: middeleeuwen: schilderij, dus stil.
  • Neem het beeld van de herinnering en stop het achter je. Duw het langzaam verder achter je tot het een gedimd puntje in het duister is.
  • Geef de beelden de kans om levendig te worden, heel helder, super HD!

Auditief

Zijn er geluiden die een rol spelen in je representatie? Zo ja, ontdek onderstaande submodaliteiten. Zo nee, sla deze dan over.

  • Locatie/richting: waar komt het geluid vandaan? Heer je het van buiten of van binnen?
  • Hoogte: zijn het hoge of lage tonen? Hoger of lager dan normaal?
  • Tonaliteit: wat is de tonaliteit?
  • Melodie: is het monotoon of melodisch?
  • Volume: hoe hard of zacht is het? Bij een nare situatie zou je de geluiden zachter kunnen maken (sirenes, gehuil).
  • Tempo: hoe snel of langzaam gaat het geluid?
  • Ritme: heeft het een beat?
  • Mono/Stereo: hoor je het geluid van een kant of beide kanten?
  • Afstand: is het geluid dichtbij of ver weg?
  • Duur: hoe lang duurt het geluid?
  • Is het geluid vooral verbaal of tonaal?
  • Hoe helder is het geluid? (Hoor het geluid alsof je het door de beste luidsprekers in de wereld aan het luisteren bent.)
  • Is het geluid continu of zijn er pauzes of stiltes? Hoeveel?
  • Intensiteit?
  • Intern of extern?
  • Uniekheid?
  • Is er een intern dialoog? Wat is dat voor dialoog?

Manieren om auditieve submodaliteiten te veranderen
Submodaliteiten veranderen is simpel als je gebruikmaakt van een contrastanalyse: je verandert de submodaliteiten van de ene representatie in de submodaliteiten van de andere representatie. Daarnaast zijn er nog een aantal creatieve manieren:

  • Gemene mensen laat je bijvoorbeeld door een Elmo of Goofy-stem horen.
  • Je kunt een gek muziekje en stemmetje aan een negatieve situatie toevoegen, zoals vrolijke zomermuziek of circusmuziek.
  • Rare grappige geluiden.

Kinesthetisch

Zijn er gevoelens die een rol spelen in je representatie? Zo ja, ontdek onderstaande submodaliteiten. Zo nee, sla deze dan over.

  • Intensiteit: hoe sterk of zwak is het gevoel?
  • Hoe zou je het beschrijven? Tinkelend, warm, koud, ontspannen, gespannen etc.?
  • Locatie: Waar voel je het in je lichaam?
  • Beweging: Zit er beweging in het gevoel? Is de beweging constant of komt het in golven?
  • Richting: Waar begint het gevoel? Waar verplaatst het zich naartoe?
  • Snelheid: wordt het gevoel langzaam sterker of komt het in een keer aan?
  • Gebied: Waar voel je het in je lichaam? Groot of klein?
  • Vorm: Wat voor vorm heeft het gevoel?
  • Grootte: hoe groot is het?
  • Gewicht: Is het een zwaar of een licht gevoel?
  • Vibratie?
  • Textuur?
  • Is het gevoel er constant of gaat het steeds aan en uit?
  • Temperatuur: is het een warm of koud gevoel?
  • Heeft het een bepaalde druk?
  • Wat voor emoties komen erbij kijken?
  • Intern of extern?

Manieren om kinesthetische submodaliteiten te veranderen
Submodaliteiten veranderen is simpel als je gebruikmaakt van een contrastanalyse: je verandert de submodaliteiten van de ene representatie in de submodaliteiten van de andere representatie. Daarnaast zijn er nog een aantal creatieve manieren.

  • Ik wil dat je je voelt dat Je je zo los maakt van de greep (Creëer daarna wel een positieve nieuwe: modelleren en dat conditioneren door te herhalen)
  • Betrek ook de gevoelens en emoties. Waar in je lichaam ervaar je die?
    (Let goed op waar ze met haar handen onbewust naartoe gaat terwijl ze nadenkt, want haar onderbewuste zal het antwoord automatisch aanreiken.)

Het vinden van de driver met een contrastanalyse

Drivers zijn de submodaliteiten die bij een specifiek persoon daadwerkelijk effect hebben: het verschil dat het verschil maakt. Wanneer je de driver-submodaliteit verandert, gebeurt het vaak dat de andere submodaliteiten dan ook veranderen. In die zijn draagt de driver de anderen. Het is kan overigens prima gebeuren dat iemand maar een driver heeft per ervaring die met submodaliteiten aangepast kan worden. Je kunt er alleen maar achter komen welke dat zijn door ze één voor één te activeren en te vragen wat er dan gebeurt.

  1. Maak op een vel papier twee kolommen. Op de bovenste rij schrijf je ter hoogte van één kolom: ‘gewenste ervaring’, en bij de andere kolom: ‘ongewenste ervaring.’
  2. Vraag: ‘Wat is een positieve ervaring van je?’
  3. ‘Welke gevoelens hoort daarbij?’ Noteer de genoemde states in de bovenste rij zodat je ze makkelijker kan echoën, waardoor je de client makkelijker de ervaring in kunt helpen.
  4. Ontdek samen wat de submodaliteiten van deze ervaring zijn, aan de hand van de bovenstaande submodaliteiten-lijst. Schrijf ze op in de linker kolom. Het uitvragen van de submodaliteiten moet snel gebeuren. Net wat sneller dan het bewuste kan bijhouden.
  5. Herhaal stap 1-4 voor een ongewenste ervaring.
  6. Markeer steeds wanneer er een verschil is tussen de submodaliteit van de ongewenste ervaring en de submodaliteit van de positieve ervaring.
  7. We werken nu verder met de submodaliteiten die bij de ongewenste ervaring verschillen van de positieve. Ga ze een voor een af. Laat de client de submodaliteit van de ongewenste ervaring veranderen in de submodaliteit van de gewenste ervaring. Vraag steeds: “Wat is het effect? “Wil je het zo houden of terugzetten?” Wanneer de client de verandering wil houden omdat het een positief verschil maakt is er sprake van een driver. Een tweede manier om de driver te achterhalen, is door te kalibreren (dit is zelfs de voorkeursmanier).

Ervaar alle submodaliteiten eens in een visualisatie

Denk aan een ervaring waarin je je onoverwinnelijk en succesvol voelde. Hoor de geluiden in de kamer, van goedkeuring, het applaus… Zie de lach op het gezicht van de mensen. Hun warmte en bewondering… Ervaar je gevoelens, De warme flow van zelfvertrouwen in je.

Oefening – Convincer voor de kracht van submodaliteiten

Mocht een cliënt zich afvragen of het nou echt effect heeft om iets te doen met NLP, dan is het gebruik van ‘convincers’ een van de oplossingen. Voordat je met een serieuze oefening begint, kun je dus  een ‘convincer’ uitvoeren. Onderstaande convincer bewijst je cliënt hoe effectief een verzonnen ervaring kan zijn.

  • Denk aan een citroen. Denk aan de kleur, de vorm, de geur, de smaak. Zie de citroen voor je. Voel de citroen in je hand, hoe voelt de schil? Stel jezelf voor dat je de citroen door midden snijdt. Je hebt hem nu gesneden en pakt een helft en druppel het in je mond. Je knijpt de citroen nu verder uit in je mond, je proeft de smaak en slikt hem door.

Ons zenuwstelsel herkent geen verschil tussen echte gebeurtenissen en gecreëerde gebeurtenissen. Hierdoor kunnen we in onze herinneringen duiken en deze gaan aanpassen en we kunnen nieuwe herinneringen creëren. Zo kunnen allerlei problemen en beperkingen opgelost worden.

Dit soort test-suggesties verwijderen doe je zo: “Hierbij is deze suggestie voor het testen verwijderd.
Je bent weer zoals eerst, alles is ongedaan gemaakt.”

Oefening – Submodaliteiten gebruiken voor angsten

  1. Waar ben je bang voor (bijvoorbeeld een spin)?
  2. Ga terug naar een herinnering waar je die angst had.
  3. Hoe groot was de spin? Hoe groot was jij?
  4. Verander de submodaliteiteiten. Dit zijn elementen van de herinnering die je met je zintuigen kan waarnemen. Draai aan deze parameters:
  • de grootte: laat de spin in je herinnering krimpen tot het maar een puntje is.
  • de locatie: stuur het puntje heel ver weg, bijvoorbeeld naar de zon.
  • de helderheid: maak je herinnering zo onhelder dat je het niet meer kan zien.
  • de volumeknop, dus zet het geluid van de herinnering uit.

etc.

nlp opleiding met korting

Oefening – Experimenteren

  1. Persoon B speelt wat met submodaliteiten en geeft instructies aan A.
  2. Terwijl B dit doet, ervaart hij zelf ook alles als eerste. Ga als coach altijd eerst!
  3. C kalibreert zowel A als B.

Oefening – Tv’tje gebruiken om een positieve state te versterken

  1. Heeft je cliënt het over een positieve herinnering? Vraag hem of haar de herinnering op een zwartwit-TV te zien.
  2. Maak met je vingers een vierkant om van veraf de zwartwit-TV maken.
  3. Breng het steeds dichterbij en versterk vooral de visuele submodaliteiten. Maak het bijvoorbeeld kleurrijk, vibrant, met luide geluiden etc. Ontdek samen wat er in die ervaring te beleven is.

Oefening – Submodaliteiten van verwarring en begrip

  1. Benoem de eigenschapen van iets waarbij je verwarring ervaart.
  2. Benoem de eigenschapen van begrip.
  3. Doe de contrastanalyse, zoals in het midden van dit artikel is weergegeven.

Ook de submodaliteiten van twijfel en overtuiging kun je vergelijken en een voor een testen. Je zou de ene overtuiging kunnen uitflashen en de nieuwe terug laten flashen, of de oude helemaal weg laten gaan en de nieuwe terug halen, of de oude helemaal tot een wit scherm laten overvloeien en de nieuwe terughalen.

Saaie taakjes met submodaliteiten behandelen

Stel dat je je boekhouding moet doen, en je kijkt er tegenop. Sluit dan je ogen en denk aan een spannende ervaring waarbij je nieuwsgierig was. Open je ogen en kijk naar het saaie onderwerp, boekhouden in dit geval. Herhaal dit vijf keer. Test daarna of het gewerkt heeft: doe een break-state en kijk dan naar de rekensommen, en merk op wat je reactie is.

Op welke manieren gebruik jij submodaliteiten? Laat het weten in de reacties. Submodaliteiten komen uitgebreid aan bod in de NLP Practitioner Opleiding. Tip: kijk ook eens naar de grote predikatenlijst!

Tot slot hebben we nog gratis bronnen voor je

Gerelateerde artikelen: ook interessant?

Bedankt voor het lezen. Reageer even hieronder en dan zal ik reageren. En... sharing is caring!