In dit artikel vind je de checklist van submodaliteiten die je kunt gebruiken voor verschillende NLP-oefeningen, zoals een contrastanalyse en vervolgens bijvoorbeeld een ‘mapping across.’ Er zijn in ieder geval talloze toepassingen voor submodaliteiten. Een overzicht van submodaliteiten komt in de onderstaande paragrafen aan bod.

Wat zijn submodaliteiten?

In NLP zijn we meer geïnteresseerd in de context, structuur en het proces van de interne representaties (oftewel interne beelden, gevoelens en geluiden) die we maken, dan in de inhoud ervan.

Submodaliteiten zijn niet zozeer wat je ziet, maar hoe je het ziet.

En dan komen submodaliteiten om de hoek kijken. Hiermee worden onze innerlijke beelden en gevoelens opgebouwd. Dit zijn de bouwstenen – de kleine onderdelen – van de modaliteiten Visueel, Auditief en Kinesthetisch (VAK).

Submodaliteiten zijn de fijnere componenten die de structuur van onze interne representaties creëren.

Waarom zou je met submodaliteiten werken?

Je hoort iedereen wel praten over ‘de kracht van visualisatie’, en terecht. Visualisatie is krachtig. Submodaliteiten voegen daar een extra krachtige verfijning aan toe.

Submodaliteiten zijn een krachtige ‘NLP-verfijning’ bij het ‘gewoon visualiseren’ dat je misschien al kende en/of deed.

Zo’n visualisatie wordt binnen NLP ‘representatie’ genoemd. Door de submodaliteiten van een representatie te veranderen, verander je voor de client de betekenis van dat gevoel of die representatie! Submodaliteiten zijn de manier hoe we onze interne beelden, geluiden en gevoelens coderen, om een betekenis te geven aan de representatie.

Alles wat mensen zeggen en doen, kan op een zinnige manier teruggebracht worden tot de vijf zintuigen.

Wanneer weet je dat het tijd is om met submodaliteiten te werken?

submodaliteiten veranderen

Submodaliteiten kun je op twee startpunten toepassen:

  • Visualisaties (representaties) kun je in detail ontdekken en veranderen met submodaliteiten. Je kunt bijvoorbeeld vragen: ‘Is het een beeld waar je naar kijkt, of zit je er zelf in?’ ‘Zijn er ook geluiden die van belang zijn? Zijn ze hard of zacht?’ ‘Voel je er ook iets bij? Waar zit dat gevoel?’
  • Emoties, gevoelens en gemoedstoestanden, zoals een gevoel van zenuwachtigheid. Dit kan als startpunt dienen om te vragen: ‘Waar zit het gevoel in je lichaam?’ ‘Hoe beweegt het?’ ‘Wat voor beelden zie je voor je?’ Ook een ademhaling kan submodaliteiten hebben, zoals locatie: waar zit je ademhaling in je lichaam?
Hierna lezen:  Circle of excellence - Zo gaat deze krachtige NLP-techniek

Je vraagt normaal gesproken de status quo uit qua submodaliteiten

Normaal gesproken ga je niet direct sleutelen aan submodaliteiten, omdat je eerst de status quo wilt weten. Hoe staan de huidige submodaliteiten voor een bepaalde representatie?

“Is het beeld dichtbij of ver weg?”.

Merk op dat hierboven de ‘of-vraag’ gesteld wordt zodat er zo min mogelijk gestuurd wordt tijdens het uitvragen van de submodaliteiten. Als je namelijk zou vragen: ‘Is het in kleur?’ terwijl de cliënt een ja-zegger is, dan stuur je het al naar kleur. Gebruik dus de ‘of-vraag’:

  • ‘Is het beeld in kleur of zwart-wit?’
  • ‘Dichtbij of ver weg?’
  • ‘Zit er kleur bij, ja of nee?’
  • (Nieuwe modaliteit introduceren) ‘Zijn er geluiden / gevoelens die belangrijk zijn, ja of nee?’

Uiteraard ga je wél sturen als je aan een interventie gaat beginnen, maar dat komt verderop in dit artikel aan bod.

Merk ook op dat sommige submodaliteiten alleen maar ‘aan of uit’ staan (‘Is het in kleur of zwart-wit?’). Dit noemen we digitale submodaliteiten. Andere andere submodaliteiten hebben gradaties, zoals afstand. Iets kan bijvoorbeeld op 1 centimeter afstand, 10 centimeter afstand of 50 meter afstand zijn. Dit noemen we analoge submodaliteiten.

Je kunt vervolgens sleutelen aan submodaliteiten… maar dan moet je eerst weten wat het effect zal zijn

submodaliteiten technieken

De kracht van submodaliteiten is dat je eraan kunt sleutelen. Normaal gesproken ga je aan de slag met het ‘tweaken’ van Visuele, Auditieve en Kinesthetische submodaliteiten (VAK).

Verschillende submodaliteiten hebben verschillende effecten bij verschillende mensen en op verschillende ervaringen waarop ze toegepast worden. Je kunt ze dus niet generaliseren. 

Je kunt dus niet zeggen:

“Die en die submodaliteiten zorgen er altijd voor dat een ervaring een positievere lading krijgt. En die en die submodaliteiten zorgen er altijd voor dat een ervaring een negatievere lading krijgt.”

Het verdient dus aanbeveling om submodaliteiten één voor één te testen bij een persoon en te vragen wat voor effect het heeft op je gevoel.

Hierna lezen:  Fast Phobia Model (bioscoop-techniek)

Je kunt bijvoorbeeld de submodaliteit ‘afstand’ testen door te vragen:

Is het beeld dichtbij of ver weg? Haal het dichterbij / duw het verder weg en merk op wat er verandert met je gevoel.

Stel dat het je doel is om een gevoel zwakker te maken. Dan zou je als volgt te werk kunnen gaan:

Ga maar visualiseren. Is het beeld in kleur of zwart-wit? Oké, maak het eens zwart-wit en merk op wat er verandert met je gevoel. Wordt het gevoel sterker of zwakker? Zet het ook eens in kleur en merk op wat er verandert met je gevoel. Wordt het gevoel sterker of zwakker? Aha, we hebben zojuist geconcludeerd dat wanneer jij het in kleur zet, het gevoel zwakker wordt. Houd de visualisatie dus in kleur. Dan gaan we nu door…

Je vraagt dus, in plaats van iets aan te nemen. “Wordt het gevoel sterker of zwakker?” Ook kun je met cijfers werken om erachter te komen of een gevoel sterker of zwakker wordt. Geef eerst een cijfer aan de status quo, test een voor een een aantal submodaliteiten en vraag steeds of het cijfer omhoog of omlaag gaat.

Dit ‘testen’ van het effect van submodaliteiten, is stiekem al een effectieve ‘interventie’ op zich. Je bent hierdoor namelijk je interne representatie redelijk door elkaar aan het schudden. Het testen van iedere submodaliteit (‘Maakt dit een verschil?) heeft dus stiekem al effect, maar dan zonder de druk van ‘Ik moet dit goed doen, want dit is al voor het echie‘. Het heeft een beetje hetzelfde effect als wanneer je aangeeft dat het nu pauze is: ‘We zijn nog niet begonnen hoor.’

Ook kalibreren komt goed van pas bij het testen van het effect van submodaliteiten.

  1. Neem een representatie in gedachten van een neutrale situatie.
  2. Verander een submodaliteit. Bijvoorbeeld groter, kleiner, feller, donkerder, geassocieerd, gedissocieerd, beweging, stilstaand…
  3. Merk op wat er bij deze persoon in het lichaam verandert.
Hierna lezen:  Fast Phobia Model (bioscoop-techniek)

Er zijn echter twee submodaliteiten die wél aardig te generaliseren zijn: afstand em helderheid. Als iets groter, groter, groter en helderder wordt of als iets kleiner, kleiner, kleiner en donkerder wordt. Dat komt omdat submodaliteiten in je interne representaties precies hetzelfde zijn opgebouwd als wat er van buiten gebeurt: als we bijvoorbeeld op de stoeprand staan, naar links kijken en er komt een vrachtwagen met hoge snelheid op ons af, hebben we daar een gigantische reactie op. Met het gegeven dat bijna iedereen hier op dezelfde manier op reageert, is de ‘standaard’ Swish-techniek ontstaan, waarbij je een gewenst beeld dichterbij en helderder maakt.

Wat kan ik met submodaliteiten?

wat kun je doen met submodaliteiten

Als je goed met submodaliteiten kunt werken, kun je krachtige interventies doen en mensen helpen om meer opties te creëren. Wat kun je allemaal met submodaliteiten?

  • Met het veranderen van submodaliteiten verander je de eigenschappen van een ervaring die je terughaalt in beelden – wat ook wel een ‘representatie’ wordt genoemd. Je kunt bij die oefeningen prima gebruik maken van milton-taal om het makkelijker te maken. Bijvoorbeeld: “Sta toe dat de kleur verandert.” Ook kun je doen alsof je een afstandsbediening hebt waarmee je alle submodaliteiten kunt bedienen.
  • Het resultaat van het bovenstaande is meestal dat je gemoedstoestanden kunt veranderen, oproepen, en/0f versterken door voor de betreffende ervaring (en daarmee de bijbehorende gemoedstoestand) de submodaliteiten uit het rijtje ‘VAK’ langs te gaan en ze allemaal te tweaken.
  • Een van de toepassingen is dat je de submodaliteiten van een negatieve ervaring kunt uitvegen of juist mooier maken zodat de ervaring draaglijker of mooier wordt. Houd in dat geval de inhoud wel hetzelfde. Je verandert alleen de eigenschappen van die inhoud. Dat zorgt er ook voor dat je niet per se geheugenverlies aan het creëren bent. Alle data is er nog. Je hoeft jezelf nu tenminste niet meer bloot te stellen aan die ene onaangename ervaring want het gebeurt veilig op een afstandje en gedimd. De herinnering heeft wel plaatsgevonden maar je kunt het effect op je in de toekomst beïnvloeden. Slechts de kaart van die herinnering is aangepast. Je kunt dus kiezen welke zin je geeft aan wat je overkomt.
  • Motiveren, bijvoorbeeld door de submodaliteiten van een leuke taak te koppelen aan een vervelende taak. Bijvoorbeeld het gevoel van plezier. Link plezier dus aan productieve dingen die je wilt doen. Hier bestaan diverse oefeningen voor.
  • Gebruik alle submodaliteiten bij veel oefeningen! In bijna alle gevallen bieden ze inspiratie voor de oefening. Alleen al het laten beschrijven van wat de cliënt ziet of hoort – samen met de submodaliteiten van die geluiden en gevoelens – kan al waardevol zijn.
  • Je kunt iets eenvoudig onthouden door een ‘VAK’tje’ te doen. Wil je bijvoorbeeld iemands naam onthouden, zie de naam dan voor je geschreven, hoor de naam uitgesproken worden en stel je voor hoe de letters van de naam aanvoelen als je ze aanraakt.
  • Richard Bandler geeft ook aan dat submodaliteiten als afleidingsmanoeuvre dienen: je gebruikt ze om het bewuste brein bezig te houden met een taakje. Ondertussen kun je suggesties geven aan het onderbewuste. Dit is vooral duidelijk van toepassing bij het gewenste beeld in de mapping across-techniek.
Hierna lezen:  Mapping Across uitleg (kom van verslavingen af met Like to Dislike)

“Maar… als je submodaliteiten gebruikt om een ongewenst gevoel te stoppen, dan ben je niet mindful bezig!”

Terechte vraag. Het is én-én. NLP draait om het genereren van extra keuzes. Door het sleutelen aan submodaliteiten, heb je extra keuzes over hoe je je wilt voelen doordat je allerlei opties kunt vinden om controle te hebben over emoties.

Bovendien ben je in de meeste NLP-technieken ook gewoon nieuwsgierig, mindful en accepterend voor het aanvankelijke gevoel waar je iets aan wilt doen. Je ontdekt eerst hoe het ongewenste gevoel voelt – wat een mindful aspect is – en vervolgens vervang je hem pas met een gewenst gevoel. Je hebt de keuze en het is én-én.

Submodaliteiten hebben zelfs iets meditatiefs. Andersom geldt dat ook: mediteren is submodaliteiten-werk en dat is ook een van de redenen waarom ze zo krachtig zijn: een gedachte observeren, verschuift al automatisch submodaliteiten. Merk een gedachte op, erken de gedachte, observeer de gedachte van een afstand en zie hem weer gaan. Wat gebeurt er? Het beeld van de gedachte raakt verder weg. Het beeld wordt gedissocieerd, bedekt niet meer je hele visie, is niet meer met surround sound, het wordt kleiner, raakt verder weg… Misschien wordt het ook zwart-wit en haal je ook het geluid weg. Jij zit vredig aan de kant van de rivier en ziet al die gedachten langzaam voorbij gaan… Dat zijn submodaliteiten in actie.

Voorbeelden van submodaliteiten in gewone gesprekken (‘conversationeel’)

submodaliteiten

We gebruiken submodaliteiten van nature in onze spraak door middel van beeldspraak en metaforen. Ze zijn logisch, maar we denken er nooit aan om ze letterlijk te nemen.

Stel dat iemand zegt: “Die mensen vertrouw ik niet. Ze hebben geen stem in mijn leven.” Het is een logische uitspraak. Wat NLP-grondleggers Richard Bandler en John Grinder echter deden, was dit letterlijk opvatten: “Wat als je hem/haar wel een stem zou geven, hoe is het dan anders?” Dan behoort die persoon opeens wél tot je vertrouwenskring. En zo zijn submodaliteiten ontstaan als techniek!

Hierna lezen:  Circle of excellence - Zo gaat deze krachtige NLP-techniek

Je kunt al heel snel gebruikmaken van submodaliteiten in gesprekken. Je adopteert hierdoor het metafoor van de andere persoon en je utiliseert het om er een verandering in te maken.

“Ik zie het nog niet helder voor me.” “Draai eens aan de knop om het helder te maken.”

“Ik weet het nog niet. Het is allemaal zo ver weg…” “Haal het dan letterlijk wat dichterbij.”

“De zenuwen gieren hier zo door mijn buik.” “Hoe giert het dan? Laat het dan wat langzamer gieren in je buik en merk op wat er met het gevoel gebeurt.”

“Is dit de hot seat?” “Dit is de coole, relaxed seat waar iedereen in kan ontspannen.”

“Ik wou dat ik niet zo’n zwart-wit-kijker ben.”

“Laten we erin gaan duiken.”

Onderaan het artikel over metaforen vind je meer over het letterlijk utiliseren van metaforen en de bijbehorende submodaliteiten.

Voorbeelden van submodaliteiten – Om te gebruiken bij NLP-oefeningen

Visueel

De dikgedrukte submodaliteiten zijn vaak de ‘drivers’: de meest krachtige submodaliteiten.

  • Zie je het geassocieerd of gedissocieerd?
  • Afstand: hoe dichtbij of ver weg is het beeld specifiek? Neem wat afstand, is het al minder erg? Neem nog wat meer afstand.
  • Grootte: hoe groot is het beeld?
  • Locatie: waar is het beeld in de ruimte?
  • Kleur: is het in kleur of in zwart-wit? 
  • Helderheid: is het beeld helderder of donkerder dan normaal? Hoe helder is het? Je kunt het beeld over-verlichten om voor minder details. Werkt dat nog niet? Over-verlicht het dan nog wat meer.
  • Intensiteit/verzadiging van de kleur: zijn de kleuren levendig/helder/intens/vel/briljant of dof?
  • Is het gekaderd/omlijst of is het panoramisch?
  • Contrast: is er een hoog contrast of een laag contrast?
  • Scherpte: is het beeld gefocust en dus scherp, of vaag?
  • Textuur: is de textuur van het beeld glad of ruw?
  • Mate van detail: zijn er details op de voorgrond en achtergrond? Zie je de details als onderdeel van het geheel of moet je je focus veranderen om ze te kunnen zien?
  • Vorm: wat voor vorm heft het beeld? Is het vierkant, rond, rechthoekig?
  • Grens: zit er een grens aan het beeld? Heeft de grens een kleur? Hoe dik is het?
  • Hoek: vanuit welke hoek zie je het?
  • Proportie: zijn de groottes van de voorwerpen in het beeld in proportie met elkaar? Zijn ze groter of kleiner dan in het echt?
  • Dimensie: is het beeld 3D of plat?
  • Enkel of meerdere: zie je een beeld of meerdere fragmenten? Zie je ze samen tegelijk of steeds na elkaar?
  • Aantal: hoeveel beelden zijn het?
  • Beweging: is het een film of een momentopname, een stilstaande afbeelding?
  • Tempo: hoe snel zijn de bewegingen? Sneller of langzamer dan normaal?
  • Is het beeld stabiel?
  • Welke richting gaat het beeld op?
  • Zijn er glitters/schitteringen? Deze bestaat uit andere submodaliteiten, namelijk helderheid, locatie en tijdsduur…
  • Is het beeld / zijn de objecten in het beeld transparant, waardoor je erdoorheen kunt kijken, of solide?
  • Zie je het op de voorgrond of op de achtergrond?
Hierna lezen:  Negatieve Gedachten Loslaten, Doorbreken & Ombuigen [Voorbeelden & Techniek]

Manieren om visuele submodaliteiten te veranderen
Submodaliteiten veranderen is simpel als je steeds wat uittest en vervolgens vraagt en nagaat wat het effect van een bepaalde tweak is: je verandert de submodaliteiten van de representatie en je checkt steeds wat het effect is.

Test ‘tweaks’ in submodaliteiten een voor een uit, waarna je na gaat vragen of de ‘tweak’ van een bepaalde submodaliteit effect heeft gehad. Een veelgebruikte vraag hiervoor is: “Wat is het effect?” “Maakte dat {gemoedstoestand x} sterker of zwakker?” ‘” Wil je het zo houden of terugzetten?”

Door dit toe te passen, maak je gebruik van de TOTE-filosofie in plaats van zelf aannames te maken dat bepaalde inhoud een bepaald effect zal hebben. Er zijn altijd uitzonderingen gerelateerd aan inhoud. Een donker beeld kan voor sommige mensen een gewenst effect hebben en voor sommige mensen een ongewenst effect. Kaarslicht of zonsondergang heeft bijvoorbeeld voor veel mensen juist charme in donker. Je komt er alleen achter door het te vragen.

Daarnaast vind je hier voorbeelden van creatieve manieren om visuele submodaliteiten te veranderen:

  • Het beeld zo draaien en vergroten dat het je visie helemaal bedekt.
  • Groter beeld, helderder, kleuriger, dichter naar je toe.
  • Breng het dichterbij, meer gefocust en helderder en scherper.
  • Laat die rode kleur zich maar helemaal uitspreiden over je hart.
  • De grootteknop draaien om die negatieve persoon tot een miezerig klein mannetje te maken(voordoen).
  • Verander het in een cartoon – Pinokkio neus.
  • Geef mensen lange oren: Mickey Mouse-oren.
  • Versneld terugspoelen: laat ze hun woorden inslikken.
  • Zwartwit, donkerder, eruit stappen en verkleinen tot een stip. Stuur het beeld naar de zon om te vernietigen. Het is zo grappig bijna dat het zon klein puntje is nu en zo ver weg.
    of energieveld overdragen naar mij.
  • Maak kleiner, verder, nog verder gaan dan zwart wit tv: middeleeuwen: schilderij, dus stil.
  • Zie in gedachten een deur dichtslaan. Zie het en hoor het!
  • Neem het beeld van de herinnering en stop het achter je. Duw het langzaam verder achter je tot het een gedimd puntje in het duister is.
  • Geef de beelden de kans om levendig te worden, heel helder, super HD!
Hierna lezen:  Fast Phobia Model (bioscoop-techniek)

Auditief

Zijn er geluiden die een rol spelen in je representatie? Zo ja, ontdek onderstaande submodaliteiten. Zo nee, sla deze dan over.

  • Locatie/richting: waar komt het geluid vandaan? Heer je het van buiten of van binnen?
  • Hoogte: zijn het hoge of lage tonen? Hoger of lager dan normaal?
  • Tonaliteit: wat is de tonaliteit?
  • Melodie: is het monotoon of melodisch?
  • Volume: hoe hard of zacht is het? Bij een nare situatie zou je de geluiden zachter kunnen maken (sirenes, gehuil).
  • Tempo: hoe snel of langzaam gaat het geluid?
  • Ritme: heeft het een beat?
  • Mono/Stereo: hoor je het geluid van een kant of beide kanten?
  • Afstand: is het geluid dichtbij of ver weg?
  • Duur: hoe lang duurt het geluid?
  • Is het geluid vooral verbaal of tonaal?
  • Hoe helder is het geluid? (Hoor het geluid alsof je het door de beste luidsprekers in de wereld aan het luisteren bent.)
  • Is het geluid continu of zijn er pauzes of stiltes? Hoeveel?
  • Intensiteit?
  • Intern of extern?
  • Uniekheid?
  • Is er een intern dialoog? Wat is dat voor dialoog?

Manieren om auditieve submodaliteiten te veranderen
Submodaliteiten veranderen is simpel als je steeds wat uittest en vervolgens vraagt en nagaat wat het effect van een bepaalde tweak is: je verandert de submodaliteiten van de representatie en je checkt steeds wat het effect is. Daarnaast vind je hier voorbeelden van creatieve manieren om auditieve submodaliteiten te veranderen:

  • Gemene mensen laat je bijvoorbeeld door een Elmo of Goofy-stem horen.
  • Of herhaal wat anderen – of jij zelf – zeggen een aantal keer met twee vingers in je neus.
  • Geef sommige uitspraken de meest sexy – misschien zelfs Duitse – stem die jij hebt.
  • Geef uitspraken een ander gek stemmetje.
  • Je kunt een gek muziekje en stemmetje aan een negatieve situatie toevoegen, zoals vrolijke zomermuziek of circusmuziek.
  • Rare grappige geluiden.
  • Klik het op zijn plaats vast, met een geluid alsof de deur op slot gaat. Klik!
Hierna lezen:  Mapping Across uitleg (kom van verslavingen af met Like to Dislike)

Kinesthetisch

Zijn er gevoelens die een rol spelen in je representatie? Zo ja, ontdek en speel met onderstaande submodaliteiten. Zo nee, sla deze dan over.

Met de kinesthetische submodaliteiten worden de tactiele gevoelens bedoeld, zoals het gevoel van sneeuw op je wang. De emotionele gevoelens zijn geen submodaliteiten – emoties zijn het gevolg van de submodaliteiten-filters. Daarom worden emoties kinesthetisch-evaluatief genoemd. Het zijn meta-gevoelens over iets. Bijvoorbeeld blijdschap of woede over sneeuw over de wang.

  • Intensiteit: hoe sterk of zwak is het gevoel?
  • Hoe zou je het beschrijven? Tinkelend, warm, koud, ontspannen, gespannen etc.?
  • Locatie: Waar voel je het in je lichaam?
  • Beweging: Zit er beweging in het gevoel? Is de beweging constant of komt het in golven?
  • Richting: Waar begint het gevoel? Waar verplaatst het zich naartoe?
  • Snelheid: wordt het gevoel langzaam sterker of komt het in een keer aan?
  • Gebied: Waar voel je het in je lichaam? Groot of klein?
  • Vorm: Wat voor vorm heeft het gevoel?
  • Grootte: hoe groot is het?
  • Gewicht: Is het een zwaar of een licht gevoel?
  • Vibratie?
  • Textuur?
  • Is het gevoel er constant of gaat het steeds aan en uit?
  • Temperatuur: is het een warm of koud gevoel?
  • Heeft het een bepaalde druk?
  • Is het transparant of solide als je het aan zou raken?
  • Wat voor emoties komen erbij kijken?
  • Intern of extern?

Manieren om kinesthetische submodaliteiten te veranderen
Submodaliteiten veranderen is simpel als je steeds wat uittest en vervolgens vraagt en nagaat wat het effect van een bepaalde tweak is: je verandert de submodaliteiten van de representatie en je checkt steeds wat het effect is. Daarnaast vind je hier voorbeelden van creatieve manieren om kinesthetische submodaliteiten te veranderen:

  • Ik wil dat je je voelt dat Je je zo los maakt van de greep (Creëer daarna wel een positieve nieuwe: modelleren en dat conditioneren door te herhalen)
  • Betrek ook de gevoelens en emoties. Waar in je lichaam ervaar je die?
    (Let goed op waar ze met haar handen onbewust naartoe gaat terwijl ze nadenkt, want haar onderbewuste zal het antwoord automatisch aanreiken.)
  • (Nadat er time line therapy is gedaan) ‘Grijp de ongewenste verleden emotie uit je tijdlijn. In je zak zit een mini-lauher. Chhhhhhh Pggggg!’
  • Denk creatief. Pluk bijvoorbeeld de verleden emotie van het gezicht. ‘Heb ik hem? Of is het groter? Haal het vervolgens weg inclusief geluidseffect.
Hierna lezen:  Circle of excellence - Zo gaat deze krachtige NLP-techniek

Auditief digitaal

Dit gaat om je innerlijk dialoog. Het is goed om met een lieve zelf stem bemoedigend en behulpzaam met jezelf te praten. Welk kind wil nou luisteren naar een luide bekritiserende stem? Hoe zou je een vriend bemoedigen? Waarom zou je jezelf niet op dezelfde manier bemoedigen?

Hoe je er wat aan doet, en hoe je dit met submodaliteiten kunt aanpakken, lees je in dit artikel over het doorbreken van negatieve gedachten.

Het vinden van de driver met een contrastanalyse

submodaliteiten

Een contrastanalyse gebruik je om de submodaliteiten van twee verschillende representaties te analyseren. Dit heb je bijvoorbeeld nodig voor de techniek ‘mapping across’. Het doel is om erachter te komen welke submodaliteiten verschillend zijn ten opzichte van de submodaliteiten in de andere representatie. Deze verschillen zijn vaak de drivers.

Potentiële drivers kun je opsporen dankzij de contrastanalyse. Dit zijn de submodaliteiten die bij een specifiek persoon daadwerkelijk effect hebben: het verschil dat het verschil maakt. Wanneer je de driver-submodaliteit verandert, gebeurt het vaak dat andere submodaliteiten dan ook mee-veranderen. In die zin ‘draagt’ de driver de anderen.

Afstand is bijna altijd een driver omdat het direct voor een verandering zorgt qua geluid en gevoelens. Geluid en gevoelens vinden namelijk altijd vanuit een locatie plaats.

Het kan overigens prima gebeuren dat iemand maar een driver heeft per ervaring die met submodaliteiten aangepast kan worden. Je kunt er alleen maar achter komen welke dat zijn door ze één voor één te activeren en te vragen wat er dan gebeurt. De contrastanalyse in combinatie met simpelweg vragen wat er gebeurt, is dus erg belangrijk.

  1. Maak op een vel papier twee kolommen. Op de bovenste rij schrijf je ter hoogte van één kolom: ‘ervaring A’ (vaak is dit de gewenste ervaring), en bij de andere kolom: ‘ervaring B’ (vaak is dit de ongewenste ervaring). We gaan deze instructies vervolgen met ‘gewenste ervaring’ en ‘ongewenste ervaring’.
  2. Vraag: ‘Wat is een positieve ervaring van je?’
  3. ‘Welke gevoelens hoort daarbij?’ Noteer de genoemde gemoedstoestanden in de bovenste rij zodat je ze makkelijker kan echoën, waardoor je de client makkelijker de ervaring in kunt helpen.
  4. Ontdek samen wat de submodaliteiten van deze ervaring zijn, aan de hand van de bovenstaande submodaliteiten-lijst. Schrijf ze op in de linker kolom. Het uitvragen van de submodaliteiten moet snel gebeuren. Net wat sneller dan het bewuste kan bijhouden.
  5. Herhaal stap 1-4 voor een ongewenste ervaring.
  6. Markeer steeds wanneer er een verschil is tussen de submodaliteit van de ongewenste ervaring en de submodaliteit van de positieve ervaring.
  7. We werken nu alleen maar verder met de submodaliteiten die bij de ongewenste ervaring verschillen van de positieve. De rest kunnen we vergeten omdat ze toch hetzelfde zijn. Ga ze een voor een af. Laat de client de submodaliteit van de ongewenste ervaring veranderen in de submodaliteit van de gewenste ervaring. Vraag steeds: “Wat is het effect? “Wil je het zo houden of terugzetten?” Wanneer de client de verandering wil houden omdat het een positief verschil maakt, is er definitief sprake van een driver. Een tweede manier om de driver te achterhalen, is door te kalibreren (dit is zelfs de voorkeursmanier).

Experimenteren door slechts één submodaliteit te veranderen

Opdracht:

  1. Neem een neutrale representatie (visualisatie), bijvoorbeeld van je woonkamer of kantoor.
  2. Verander één submodaliteit. Maak het bijvoorbeeld transparant. Dus je kunt door spullen, muren en mensen heen kijken.
  3. Doe je ogen open en praat over je ervaring. Niet over de inhoud van de representatie, maar over het effect van de submodaliteit. Voor sommigen wordt het minder echt en daardoor minder bedreigend, meer open, grappiger omdat je mensen door de muren heen ziet of helderder…
Hierna lezen:  Mapping Across uitleg (kom van verslavingen af met Like to Dislike)

Ervaar alle submodaliteiten eens in een visualisatie

Denk aan een ervaring (met andere woorden: maak een representatie) waarin je je onoverwinnelijk en succesvol voelde. Hoor de geluiden in de kamer, van goedkeuring, het applaus… Zie de lach op het gezicht van de mensen. Hun warmte en bewondering… Ervaar je gevoelens, de warme flow van zelfvertrouwen in je…

Vraag jezelf nu af wat een aantal submodaliteiten zijn: Wat is het volume van de stemmen? Hoe helder zie je het voor je? Hoe kleurrijk? Hoe beweegt die flow van zelfvertrouwen in je lichaam?

Oefening – Convincer voor de kracht van submodaliteiten

submodaliteiten

Mocht een cliënt zich afvragen of het nou echt effect heeft om iets te doen met NLP, dan is het gebruik van ‘convincers’ een van de oplossingen. Voordat je met een serieuze oefening begint, kun je dus  een ‘convincer’ uitvoeren. Onderstaande convincer bewijst je cliënt hoe effectief een representatie (een in gedachten gecreëerde ervaring) kan zijn.

  • Denk aan een citroen. Denk aan de kleur, de vorm, de geur, de smaak. Zie de citroen voor je. Voel de citroen in je hand, hoe voelt de schil? Stel jezelf voor dat je de citroen door midden snijdt. Je hebt hem nu gesneden, pakt een helft, brengt hem naar je mond en je druppelt het in je mond. Je knijpt de citroen nu verder uit in je mond, je proeft de smaak en slikt hem door.

Ons zenuwstelsel herkent geen verschil tussen echte gebeurtenissen en gecreëerde gebeurtenissen. Hierdoor kunnen we in onze herinneringen duiken en deze gaan aanpassen en we kunnen nieuwe herinneringen creëren. Zo kunnen allerlei problemen en beperkingen opgelost worden.

Dit soort test-suggesties verwijderen doe je zo: “Hierbij is deze suggestie voor het testen verwijderd. Je bent weer zoals eerst, alles is ongedaan gemaakt.”

Oefening – Submodaliteiten gebruiken voor angsten

  1. Waar ben je bang voor (bijvoorbeeld een spin)?
  2. Ga terug naar een herinnering waar je die angst had. Met andere woorden: maak er een representatie van.
  3. Hoe groot was de spin? Hoe groot was jij?
  4. Verander de submodaliteiteiten. Dit zijn elementen van de ervaring die je met je zintuigen kunt waarnemen. Draai aan deze parameters:
  • de grootte: laat de spin in je herinnering krimpen tot het maar een puntje is. Ga na wat het effect is.
  • de locatie: stuur het puntje heel ver weg, bijvoorbeeld naar de zon. Ga na wat het effect is.
  • de helderheid: maak je herinnering zo onhelder dat je het niet meer kan zien. Ga na wat het effect is.
  • de volumeknop, dus zet het geluid van de herinnering uit. Ga na wat het effect is.
Hierna lezen:  Negatieve Gedachten Loslaten, Doorbreken & Ombuigen [Voorbeelden & Techniek]

etc.

Oefening – Experimenteren

  1. Persoon B speelt wat met submodaliteiten en geeft instructies aan A. Persoon B vraagt steeds wat het effect is. En welke submodaliteiten veranderen spontaan mee?
  2. Terwijl B dit doet, ervaart hij zelf ook alles als eerste. Ga als coach altijd eerst!
  3. C kalibreert zowel A als B.
  4. Vraag jezelf af: in welke situatie zouden jouw tests bruikbaar kunnen zijn?

Oefening – Tv’tje gebruiken om een positieve gemoedstoestand te versterken

  1. Heeft je cliënt het over een positieve herinnering? Vraag hem of haar de herinnering op een zwartwit-TV te zien.
  2. Maak met je vingers een vierkant om van veraf de zwartwit-TV maken.
  3. Breng het steeds dichterbij en versterk vooral de visuele submodaliteiten. Maak het bijvoorbeeld kleurrijk, vibrant, met luide geluiden etc. Ontdek samen wat er in die ervaring te beleven is.

Oefening – Submodaliteiten van verwarring en begrip

  1. Benoem de eigenschapen van iets waarbij je verwarring ervaart.
  2. Benoem de eigenschapen van begrip.
  3. Doe de contrastanalyse, zoals in het midden van dit artikel is weergegeven.

Ook de submodaliteiten van twijfel en overtuiging kun je vergelijken en een voor een testen. Je zou de ene overtuiging kunnen uitflashen en de nieuwe terug laten flashen, of de oude helemaal weg laten gaan en de nieuwe terug halen, of de oude helemaal tot een wit scherm laten overvloeien en de nieuwe terughalen.

Saaie taakjes met submodaliteiten behandelen

Stel dat je je boekhouding moet doen, en je kijkt er tegenop. Sluit dan je ogen en denk aan een spannende ervaring waarbij je nieuwsgierig was. Open je ogen en kijk naar het saaie onderwerp, boekhouden in dit geval. Herhaal dit vijf keer. Test daarna of het gewerkt heeft: doe een patroononderbreking en kijk dan naar de rekensommen, en merk op wat je reactie is.

De gevoel-omdraai-techniek

Heb je een naar gevoel? Test dit dan eens uit.

  1. Voel waar het gevoel in je lichaam zit en hoe het beweegt.
  2. Teken het gevoel buiten je lichaam voor je geestesoog, bijvoorbeeld op een wit vel papier dat je je voorstelt. Teken het gevoel eventueel alsof je met vingerverf aan het spelen bent.
  3. Teken ook de beweging van het gevoel: gaat het van hoog naar laag in je lichaam of van laag naar hoog? Of van links naar rechts, rechts naar links, draaiend, inkrimpend of uitdijend?
  4. Geef het ook een kleur.
  5. Stel je nu de tegenovergestelde beweging voor – en een andere kleur. (Merk eventueel ook andere submodaliteiten op, zoas auditieve submodaliteiten).
  6. Pak het gevoel op en stop het weer terug in je lichaam. Eventueel met een whoosh-geluidje erbij. Voel het op tegenovergestelde wijze door je lichaam bewegen – steeds sneller.
  7. Als bonus kunnen we er een gewenst gevoel voor in de plek zetten. Denk nu aan een moment waarin je een goed gevoel had, zoals rust, ontspanning, plezier en zekerheid. Waar begint dat goede gevoel in je lichaam? Sleutel eventueel aan wat submodaliteiten om het gevoel te versterken.
Hierna lezen:  Fast Phobia Model (bioscoop-techniek)

Meer formele technieken die gebruikmaken van submodaliteiten

Blowout: gaat een submodaliteit over een drempel heen, dan kan het effect veranderen

Het is niet altijd zo dat een submodaliteit, zoals ‘grootte’, bij iedere verdere stap het effect op dezelfde manier vergroot. Neem het voorbeeld van een spin. Vergroot je de spin, dan is dat in eerste instantie heel eng! Het wordt steeds enger naarmate de spin de grootte van een voetbal, een stoel, een kamer, een stad, een land en de aarde aanneemt.

Maar zodra een bepaalde drempel is bereikt, zoals wanneer de spin zo groot als het zonnestelsel wordt, en dan de melkweg en dan het universum, dan wordt het opeens steeds minder eng.

Met dit effect kun je de ‘compulsion blowout-techniek’ doen. Dit maakt gebruik van de mapping across-techniek.

  1. Vraag de submodaliteiten uit van iets wat de cliënt compulsief doet.
  2. Vraag de submodaliteiten uit van iets neutraals.
  3. Doe een contrastanalyse om de krachtigste submodaliteiten te ontdekken. Welke submodaliteiten vergroten het gevoel om iets compulsief/obsessief te doen?
  4. Maak deze submodaliteiten die bij het compulsieve gedrag horen steeds sterker en sterker en sterker totdat het gevoel van de obsessie ‘geknapt’ is.
  5. Rond af met een Swish-techniek.
  6. Als er een oncomfortabel gevoel is, doe je de blowout met de neutrale activiteit om het ongedaan te maken.

Verder verdiepen (leestips!)

Op welke manieren gebruik jij submodaliteiten? Laat het weten in de reacties. Submodaliteiten komen uitgebreid aan bod in de NLP Practitioner Opleiding. Tip: bekijk nog meer uitgebreide lijstjes en artikelen op deze website. Bezoek sowieso ook de leeslijst met NLP-boekentips zodat je jezelf kunt blijven bijscholen.

Freestylen met submodaliteiten

Als je al handig bent in metaforen, utilisatie en rapport, weet je dat je heel leuke dingen kunt doen door de metaforen van andere mensen te lenen. Zegt iemand bijvoorbeeld: ‘Ik loop steeds tegen een muur aan,’ laat de submodaliteiten dan erop los. ‘Wat gebeurt er als je wat afstand neemt van de muur? En als je hem je lievelingskleur geeft? En als je hem laat krimpen tot een drempeltje? Stap er eens overheen en terug.’

Hierna lezen:  Mapping Across uitleg (kom van verslavingen af met Like to Dislike)

Wees creatief, experimenteer en gebruik de TOTE-filosofie. Dan is het onmogelijk om fouten te maken. Heb er plezier in!

Bekijk deze bonuspagina

Er is veel te ontdekken in deze blogartikelen, maar hoe breng je het in de praktijk? En waar te beginnen? Ik heb een praktisch doe-boek voor je samengesteld waarmee je NLP stapje voor stapje in je leven verweeft. Neem hier een kijkje.

Tot slot hebben we nog gratis bronnen voor je:

Gerelateerd: lees verder...