herkaderen

Herkaderen (Sleight Of Mouth) – Win iedere discussie

Door met kaders (frames) te werken, bijvoorbeeld door te herkaderen, daag je iemands bestaande geloven en patronen uit. Als je referentiekaders kunt neerzetten, weghalen of veranderen zal dat je erg veel helpen bij je coaching. In dit artikel lees je tientallen manieren om via herkaderingen voor magie te zorgen.

herkaderen

Herkaderen

Er zijn een aantal zaken om op te letten:

  • Ook bij het werken met kaders geldt: geloof in de realiteit die jij presenteert. Ga eerst.
  • Herkaderen is een vorm van leiden: je presenteert een verrassende invalshoek aan een andere persoon. Daarom zorg je ervoor dat je ook hier eerst gevolg hebt, bijvoorbeeld door de huidige situatie te herhalen: “Als ik het goed begrijp…”
  • Wees en blijf proactief als je met kaders werkt. Dan blijft jouw kader overeind staan omdat je niet reactief bent aan het kader van de ander. Wees niet onder de indruk, daag niet uit, verdedig jezelf niet en negeer het kader van de ander. Ook met je lichaam ben je niet reactief. Heb je te maken met een zeurend kind, kijk dan raar op naar hem, want in jouw realiteit (kader) hoort dat niet en is dat raar.
  • Denk bij het presenteren van jouw kader ook aan het hanteren van de socratische methode. De voorbeelden in de komende paragrafen zijn vaak as statement opgeschreven maar je kunt ook heel mooi herkaderen door ze in vraagvorm te brengen.

Bedoelingsherkadering – Positieve intentie van negatief gedrag (belangrijk)

Een van de oorzaken van ongewenst gedrag of een ongewenste situatie kan zijn dat de client ooit één keer eerder in een soortgelijke situatie zat waarin het negatief afliep voor de client. De client beschermt zichzelf door vanaf dat moment in alle soortgelijke contexten negatief te reageren. Hij generaliseert.

Voorbeelden:

  • Als iemand geen vrolijkheid en liefde meer kan tonen voor haar familie en vrienden kan dat komen omdat ze in het verleden een of meerdere mensen waar ze van hield is kwijtgeraakt. Nu wil ze zichzelf daartegen beschermen door niemand meer lief te hebben.
  • Als iemand zichzelf constant blesseert kan de positieve intentie zijn dat hij op deze manier kan zien dat mensen om hem geven.
  • Verslaving is er omdat je je pijn niet onder ogen wil zien en omdat je dat wil verbergen.

Het is bij deze herkadering zaak om de bedoeling van het gedrag te scheiden, én om de oorzaak te vinden in plaats van op het effect te focussen. Mensen veranderen weer terug als de positieve intentie niet op een nieuwe manier verzadigd wordt. Na het bieden van de oplossing  moet je de positieve intentie van het negatieve gedrag een andere invulling geven, anders zal het zich op een andere manier gaan uiten die misschien ook ongewenst is. Een roker die tijdens het roken altijd met zijn vrouw praat kan wel stoppen met roken, maar de positieve intentie, dat hij gezellig met zijn vrouw wil praten, moet een andere invulling krijgen. De coach kan dan bijvoorbeeld voorstellen dat ze samen koken, voordat het zich automatisch gaat uiten in een andere negatieve vorm om meer contact te hebben.

Volg op Facebook

  • Wat probeer je te bereiken door dat te doen?
  • Heb je in het verleden slechte ervaringen met {effect/symptoom} gehad waardoor je wil voorkomen dat het weer gebeurt?
  • Waarom is dat gedrag er?
  • Wat voor goeds heeft het gedrag met je voor?

Preframes

Als je iemand vraagt om naar het raam te lopen en te tellen hoeveel rode auto’s er zijn, zal zijn onderbewuste die vraag automatisch gaan beantwoorden zodra hij uit het raam kijkt. Hij zal de andere dingen niet opmerken, zoals hoeveel vuilnisbakken, kinderen of fietsen er zijn. Zijn referentiepunt is rode auto’s.

Bij preframes ben je al van te voren de bezwaren weg aan het halen door de aandacht ervan af te leiden. Je focust het kader op iets totaal anders. Je bent in zekere zin iemands RAS aan het beïnvloeden. Nadat de preframe opgezet is zullen mensen de daaropvolgende situaties alleen evalueren aan de hand van de betreffende condities die jij hebt opgezet.

  • Stel dat je een makelaar bent en je verkoopt een woning die ver weg van het stadscentrum ligt. Een manier om dat bezwaar in te calculeren is om tijdens het begin van het gesprek iets te noemen zoals: “Ik weet niet zeker of ik jullie dit huis moet laten zien. Het is fantastisch en veel mensen willen hem. Het enige probleem is dat het een beetje te dicht bij het stadscentrum ligt omdat veel mensen een schitterend landschap willen hebben, vooral voor de kinderen om in op te groeien.” Nu is de vraag niet: is het te ver weg? Maar wel: is het te dichtbij?
    Je hoeft daarna niks meer te bewijzen. Je leidt mensen af door een bezwaar te noemen die achteraf juist positief uitvalt, en dat zullen ze ook opmerken.
  • Of je kunt een compleet andere meeteenheid nemen om het huis mee te beoordelen. Je kunt bijvoorbeeld, ervan uitgaande dat het een groot huis is, zeggen: “Ik ga jullie dit huis niet laten zien. Het is een schitterend huis en jullie zullen er meteen van houden. Het enige probleem is dat ik niet weet of het wel groot genoeg zal zijn voor jullie omdat ik weet dat jullie een groot huis willen.
    Nu gaan ze natuurlijk erin met de anticipatie om het huis te beoordelen op de grootte, en niet op de afstand tot het stadscentrum. Die vraag zal niet meer in ze opkomen omdat ze bezig zijn gehouden met het huidige kader dat je van te voren hebt opgezet. Het allermooiste is natuurlijk dat het huis al groot is waardoor het grootte-issue sowieso opgelost wordt.
  • “Een Ferrari rijdt op te veel liters per kilometer. Dat is veel te duur.” Dit argument wordt natuurlijk onmiddellijk opgelost door de klant omdat je een Ferrari om heel andere redenen koopt en het benzineverbruik daarbij helemaal niet relevant is.
  • Een docent kan tegen zijn klas zeggen: Sommigen van jullie weten precies hoe dit werkt en de rest van jullie zullen prettig verrast worden als jullie meer gaan leren en jullie misconcepties over dit vak zien omgewisseld worden met nieuw begrip.
  • Een verkoper kan het volgende tegen zijn suspect zeggen en er ook zelf in geloven: “Vandaag is een spannende dag voor je, een geweldige kans.” Als de klant het afwijst is de verkoper niet reactief en houdt hij het kader: “Zij missen iets. Kopen is de enige logische keus!”
  • “Ik zou het fout kunnen hebben, maar…” Hiermee heb je het kader geschetst dat alles wat je zegt, ‘verwacht’ zal zijn.

Deframing

Deframing heeft van alles te maken met macht tonen, laten zien dat je ‘high value’ bent, en je bereidheid om weg te lopen. Je geeft de andere persoon een uitdaging om in jouw kader te mogen meedoen. Deze uitdaging is belangrijker dan het oorspronkelijke verweer van die persoon waardoor die verdwijnt.

  • “We hebben elkaar waarschijnlijk verkeerd begrepen. Je hebt gelijk, we zouden beter niet samen moeten werken.”
  • Wanneer iemand kritiek geeft op iets dat van jou is: “Hey wil je hem soms voor jezelf hebben en stelen? Die krijg je nooit!”
  • Iemand maakt een negatieve opmerking over je uiterlijk. “Omdat ik anders te oogverblindend mooi ben.”
  • “Vertel me een, waarom zou ik je moeten inhuren?” “Weet je wat, ik denk dat we dingen verkeerd begrepen hebben en je hebt waarschijnlijk gelijk. We zouden waarschijnlijk helemaal niet samen moeten werken.” Wat je daarmee communiceert is dat wat jij doet zo waardevol is dat als jij dat niet wil, er zat andere mensen zijn die het wel willen. Je komt vanuit een positie van overvloed in plaats van een positie van schaarste.
  • Een klant zegt: “Weet je wat, eigenlijk vind ik dit een beetje te duur voor me.” Als verkoper kan je dat deframen door te zeggen: “Weet je, ik ben best blij dat je dat zegt want mensen realiseren zich niet hoeveel kracht ze krijgen voor hun geld. En om eerlijk met je te zijn, ik weet niet zeker of de meeste mensen die een auto in deze prijsklasse kopen wel weten hoe ze om moeten gaan met een auto zoals deze. Dus ondanks dat ik deze uitstekende auto aan iedereen wil laten zien, moet ik toegeven dat ik opgelucht ben wanneer mensen voor een wat meer bescheiden, kleinere, veiligere auto gaan.” Hier is de ingebouwde uitdaging: ben jij man genoeg om deze auto te rijden? Natuurlijk werkt deze deframe niet bij een man met een gezin, die waarschijnlijk juist veiligheid wil.
  • Is een persoon maar eindeloos door aan het praten en kom je er niet tussen? Weglopen en gewoon opnieuw beginnen. Jij bepaalt het kader.

Context-herkadering

  • “Iedereen haatte mij.” “Wie haatten ze nog meer?” “Wie haat jou allemaal niet?” “Is het niet geweldig hoeveel mensen wèl mogen?”
  • “In welke situatie/context zou dit probleem goed/normaal/waardevol zijn?”
  • “Té assertief zijn zorgt er op zijn werk voor dat hij meer geld verdient.”
  • “Dat uw dochter nu bazig is betekent dat ze straks prima op haar eigen benen kan staan.”
  • “Ik haat het dat mijn vrouw snurkt.” “Dat is lang niet zo erg als wonen langs een spoorweg.”
  • “Ik stel alles voor altijd uit.” “Als je slechte dingen voor altijd uitstelt, zoals koekjes eten, ben je dan niet heel goed bezig?
  • “5,5 is genoeg.” “Wat ben ik blij dat de chirurg die jou opereerde met een 5,5 is afgestudeerd.”
  • “Ik heb het zo druk!” “Veel mensen kunnen niet die verantwoordelijkheid nemen.”
  • Geldt dat niet voor 97% van de mensen? Zelfs de koning!”
  • “Ik ben zenuwachtig voor mijn presentatie omdat er iets fout kan gaan.” “Wat voel je bij je veters strikken of de tv aanzetten? En als het fout gaat?” “Niks.” Wat als je je presentaties ook zo ziet? Denk eraan dat je leven 90 jaar kan duren. Wat voor grootse dingen heb je meegemaakt en kan je meemaken? Wat is dat uurtje dan, ook al gaat het niet 100% lekker?
  • Al die huizen die je ziet. Daar wonen allemaal mensen. Zouden zij er wat om geven als ze je probleem horen? Niemand geeft wat om je kapotte horloge of je angsten. Niemand geeft wat om je problemen en je zorgen. Ze hebben hun eigen problemen en zorgen. Ze zullen die van jou niet eens opmerken
  • Terwijl je door de regen loopt of fietst: “Kijk hoeveel regendruppels je niet raken!”

Tijd-context herkadering

  • “Je hebt gelijk, TOT NU TOE was je niet goed in koken.”
  • “Je hebt gelijk. We hebben MOMENTEEL inderdaad geen geld meer.”
  • Een 6-jarig jongetje zoog zijn duim. Erickson vroeg aan hem wanneer hij een 7-jarige jongeman werd. Daarmee toonde Erickson respect voor het kind. Vervolgens zei hij: “Natuurlijk mag je je duim zuigen, want je bent nu nog een 6-jarige. Als je volgende maand 7 wordt ben je een grote jongeman die volwassen gedrag vertoont.”
  • Later, als je erop terugkijkt, zal je erom lachen. Wie zal het verschil weten over 100 jaar? Wie zal het dan wat schelen?

De context beperken tot de mening van slechts één persoon

  • “Dat is inderdaad wat jij vindt.”
  • Het woordje ‘geloven’ in plaats van ‘weten’. ”Dus jij gelooft persoonlijk dat…”
  • “Jij mag die mening hebben.”

Betekenis-herkadering

  • “Ik ben als enige in paars gekleed vandaag, wat erg!” “Mooi, kan ik je makkelijk vinden in de menigte!”
  • Reagan: “Is leeftijd een issue voor de verkiezingen?” Raegan nadat iemand zei dat hij oud is met zijn 72: ‘I will not make age an issue of this campaign. I am not going to exploit, for political purposes, my opponent’s youth and inexperience.’
  • Authentieke rode zalm: gegarandeerd dat het niet roze wordt
    Je krijgt geen fortune cookie. “Ik heb zoveel fortuin dat ze er geen voor mij konden bedenken.
  • “Dat is goed want…” kan je bij al het slechte nieuws gebruiken.
  • Wat is het?
  • Waar lijkt het op?
  • “Wat bedoelde je te bereiken met…” in plaats van: “Dat was spottend.”
  • Als iemand zegt: “Wil je even weg gaan?” kan het herkaderen: “Jongens ik moet even een telefoontje plegen ik moet jullie helaas even verlaten.
  • “Doe je jas uit.” “Mag hij uit ja?”
  • “Ik kan niet leren.” “Als iemand niet kan leren komt dat door gebrek aan mentale organisatie en dat komt omdat zijn waarnemingsvermogen niet getraind is, dus als je je zintuigen traint kan je wel leren.”
  • Verwarring betekent dat je het bijna begrepen hebt. Als je meteen alles begreep leerde je niks en verdeed je je tijd en geld.
  • “Ik haat het dat mijn vrouw snurkt.” “Ik wou dat ik mijn vrouw kon horen snurken!”
  • Wat is het fijn dat we nu zo ernaar kunnen kijken en leren van die vervelende ervaring die gelukkig al achter de rug is.
  • “Ik ben gefrustreerd.” “Dat betekent dat je graag beter wil worden dan je nu bent en dat geloof je. Het is een heel positief teken. Het betekent dat wat je wil binnen handbereik is, maar dat wat je nu doet nog niet werkt. Je moet dus je strategie veranderen.
  • Een metafoor om iets wat je bent kwijtgeraakt te herkaderen: “Een zwempak maakt je langzamer. Wat een vreselijke handicap. Met je huid kan je veel soepeler zwemmen.”
  • Een belediging verkeerd opvatten als compliment.
  • “Iedereen geeft me alleen maar kritiek.” “Wow, je moet wel zoveel voor ze betekenen dat ze allemaal de tijd nemen om je deze dingen te vertellen.”
  • “Ik voel me echt verschrikkelijk vandaag.” “Je kent je gevoelens. Wat heerlijk!”
  • Het is leuk om raar te zijn!

Herdefiniëren van woorden

  • “Jij zei toen iets gemeens!” “Ik was inderdaad wat te krachtig in mijn communicatie daar.”
  • Bij een conflict: “Ligt gewoon aan verschillende persoonlijkheden, dus andere metaprogramma’s.”
  • “Hij is niet psychotisch, hij is speciaal.”
  • “Hij is niet ongeorganiseerd, maar hij is creatief in zijn planning.”
  • “Hij is geen beginner maar expert in wording/opleiding.”
  • Ben je niet bekwaam of heb je nog een paar dingen te leren?
  • Geen probleem maar een uitdaging.
  • “We hebben hier een goede mogelijkheid” in plaats van “We hebben werk te doen.”
  • Niet moeten maar morgen.
  • “Mijn collega schreeuwt altijd!” “Hij heeft inderdaad een luide stem.” Of: “Wat fijn! Ik kan mijn collega nooit verstaan.”
  • “Ik heb het zo druk!” “Je hebt inderdaad veel doelen, vaardigheden, successen en ambities.” Of: “Dan ben je inderdaad heel belangrijk voor veel mensen.”
  • Jij noemt het… Ik noem het…

Herdefinieer ook van identiteit naar gedrag of van gedrag naar omgeving:

  • “Hij is geen slecht persoon maar hij koos de verkeerde woorden.”
  • “Dit huis is te duur ik kan het niet betalen.” “OK, dat betekent niet dat het te duur is maar dat het uitzonderlijke waarde heeft.”
  • “Je was laat.” “Nee, ik had vertraging.”

Consequenties-herkadering

  • Ik zeg alleen gemene dingen tegen mensen om ze beter te maken.
  • Verkoper kan bij bezwaar de consequenties noemen: “Het wordt alleen maar duurder. Het is er straks niet meer. Heb je ooit meegemaakt dat een trui er de volgende dag niet meer was omdat iemand anders hem mee had genomen?”

Hierarchie-herkadering

dingen opnoemen die belangrijker zijn dan het conflict.

  • Vind je het niet belangrijker om succesvol te zijn dan gelijk te hebben?
  • Is het niet belangrijker om grenzen te verleggen, in plaats van simpelweg grenzen te maken?
  • Als iemand zegt dat je gemeen bent: “Vind je het niet belangrijker om realistisch te zijn dan aardig?

Meta-kader

Schuif de schuld af op het kader:

  • Dit is een vergadering, het is logisch dat we het niet met elkaar eens zijn. Het is niemands fout.
  • Dit is een leerframe: “Jullie komen hier om te leren.”
  • Je bent het alleen met mij oneens door de locatie waar we nu in zijn/doordat je niet bij deze groep hoort/doordat je bij een andere groep hoort.
  • De enige reden dat je op deze manier hierover denkt is ervaring x die je ooit hebt gehad.
  • Het heeft alleen maar met je te hoge onrealistische verwachtingen te maken dat je teleurgesteld bent.

Counter Example

  • “Hij haat me want hij schreeuwt tegen mij.” “Heb je wel eens geschreeuwd tegen iemand die je aardig vindt?” “Ja!”
  • Je kan de ‘counter example’ ook direct vertellen en daarna vragen: “Wat ga je doen/veranderen?” Je bent op deze manier nog steeds niet pushend maar socratisch bezig.

Apply to self kader

Evalueer de uitspraak met een van de criteria van de uitspraak zelf. Je kaatst de bal gewoon terug.

  • “Gemene dingen zeggen is slecht.” “Dat is gemeen dat je dat zegt.”
  • “Je laat je vriend helemaal alleen nu je met mij aan het praten bent.” “Ben je niet precies hetzelfde aan het doen met jouw vrienden?”
  • “Nieuwe dingen proberen is riskant.” “Is het niet riskant om zo te denken? Om te geloven dat…?”
  • “Mensen spannen me voor hun karretje spannen.” “Mensen kunnen die gedachte voor hun karretje spannen.”
  • “Dat je zegt dat je flexibel moet zijn is geen flexibele bewering.”
  • Als de enige reden dat iemand nog ruziemaakt is om zijn positie te behouden dat je flexibel moet zijn in plaats van specifiek: “Ben jij flexibel genoeg om specifiek te zijn?” Zo valideer je zijn flexibiliteit in plaats van er tegenin te gaan. Het is juist een expressie van flexibiliteit.
    Pace dus hun criteria, overtuigingen, gebaren en denkprocessen (bijvoorbeeld bij flexibiliteit grote gebaren maken en bij specifiek kleine gebaren maken).

Purpose-kader (lateraal chuncken)

Herkaderen door te upchuncken en downchucken met de logische niveaus. Eerst upchuncken, dan downchucken om nieuwe alternatieven te vinden en om de positieve intentie tegemoet te komen.

Reframe naar hogere of lagere logische niveaus om nieuwe alternatieven te vinden. Het behandelen van de positieve intentie van een negatief gedrag of gevoel doe je ook door middel van upchunken en downchuncken. Als iemand iets van je wil kan je vragen: “Waarom heb je het nodig?” Bedenk daarvoor een andere methode om dat te bereiken. Geef hem dat, en hopelijk is het minder dan zijn eerste eis. Je bent dan aan het upchuncken naar het doel, om vervolgens weer te downchuncken naar de middelen om het doel te bereiken.

Opmerking: Het kan zijn dat die nieuwe alternatieven moeilijker en minder kant-en-klaar te bereiken zijn dan de makkelijke snelle manier. Bijvoorbeeld: sigaretten of chocola zorgen direct en zonder moeite voor genot, terwijl je voor andere manieren van genot zoals schilderen of een massage eerst allerlei dingen moet opzetten en afspraken moet maken.

  • Gebruik dit bijvoorbeeld bij het geven en ontvangen van feedback: spreek aan op gedrag in plaats van identiteit. Als je zelf beschuldigd wordt: plaats het probleem dan met een gebaar voor jullie waar je naar wijst en stel vragen over de lagere niveaus: “Wat gebeurde er precies, ik wil alles weten.” Hiermee ga je in op gedrag en omgeving in plaats van je idenditeit.
  • “Wat voor voordelen ontstaan er voor jou uit…” “Veiligheid.” “Hoe zou veiligheid kunnen helpen? Waar zorgt veiligheid dus voor?” “Vrede en rust.” “Dus wat je eigenlijk wil is vrede en rust.” Nu kan je weer downchunken naar gedrag om andere opties te vinden voor vrede en rust.
  • Probleem: we kunnen niet met de auto op reis.
    Upchunck: wat is het doel van een auto? Transport.
    Vervolgens downchuncken: wat zijn meerdere vormen van transport?
  • Upchunck bij ruzies om te ontdekken welke waardes niet vervuld worden.
  • Bij het modelleren: drie musketiers passen niet in mijn kantoor als ik ze visualiseer, maar wat is hun eigenschap? Ze zijn dapper. Wie is nog meer dapper? Oprah.
  • Downchunck-voorbeeld:
    “Jij bent gemeen.”
    “Welk deel van mijn zin moet ik veranderen om niet meer gemeen te zijn?”
  • Downchunck-voorbeeld:
    “De VS is een rijk land”
    “Is een inwoner van de VS automatisch rijk?”
    Lateraal-chuck voorbeeld:
    “Dat zou waar zijn als geld het enige criterium was voor rijkdom. Op welke andere manieren kan je rijk zijn?”
  • Upchunck-voorbeeld:
    Het is geen huis maar je paleis!

What if-kader

Wat zou gebeuren als je het wel/niet deed? Dit is in veel gevallen ook een vorm van humor en creatief ‘out of the box’ denken. Dit is een uitstekend kader om beperkende gedachten tegen te gaan. Verander het kader qua tijd, ruimte, grootte etc. om argumenten te creëren.

  • Zie jezelf dat op dit moment doen, en merk op hoe je dat in het verleden ook al eens hebt gedaan.
  • Wat als iedereen dat zou doen?
  • Doe een what if heel enthousiast en zo vroeg mogelijk om een positieve state uit te lokken: “Zou het niet geweldig zijn als x wel lukte!”

Agreement-kader

Dit is vergelijkbaar met ‘piggyback’, waarbij je momentum creëert en daarachter jouw idee of suggestie te introduceren.

  1. Bevestig wat ze al doen: agree
  2. En daarachter kan je jouw idee of suggestie toevoegen.

Voorbeelden:

  • Ik ben het daarmee eens, en ik zou … ook toevoegen.
  • Ik ben het er bijna mee eens, en ik zou … toevoegen.
  • Ik zou het ermee eens kunnen zijn, en ik zou … ook toevoegen.
  • Het klopt, je hebt gelijk dat je niet in trance kan raken, en ik ga je ook niet vertellen dat je in trance kan raken, Debbie, nu. Want je kan helemaal niet IN TRANCE RAKEN, op een heel comfortabele manier. Heel goed. En het is niet belangrijk dat je in trance raakt, met veel genot. Precies Debbie.
  • Het klopt, je hebt gelijk dat je het product niet zou kopen, voordat je je realiseert dat dit product alleen voor echt gemotiveerde mensen is.

Effectievere woordkeus

  • “Ik ben aan het zoeken…” “En wat als je gaat vinden?”
  • “Ik probeer het.” “En wat als je het doet?”

Herkaderen van de emoties

  • Erickson zei tegen een kind dat verdrietig was omdat ze sproetjes had: “Je bent een dief. Ik weet precies wat je hebt gestolen, wanneer en waar je was. Ik heb er zelfs bewijs van.” Ten eerste zorgt dit voor verwarring waardoor het patroon doorbroken wordt. “Je hebt het de koekjes open willen doen toen opeens een hele doos met kaneel uit de kast op je is gevallen. Nu heb je een kaneelgezicht.” Hiermee is het probleem herkaderd naar opluchting en humor. Het was achteraf niet zo erg: de beschuldiging werd ingetrokken. Voortaan moest ze alleen lachen als ze aan haar kwaal dacht.

Perspectief-reframe

  • Het probleem bekijken vanaf het plafond.
  • Vanaf de grond: een worm.
  • Vanuit een kind.

Voorschrijven van het smptoom

Je maakt het symptoom verplicht. Je spuugt zo in iemands soep. Ze kunnen het nog wel eten, maar ze zullen er niet van genieten. Doordat je het negatieve bevestigt doorbreek je het patroon dat de client al jaren van iedereen te horen krijgt en laat je de cliënt terugvechten naar het positieve.

  • Je kan het inderdaad niet. Zelfs niet een beetje.
  • Wedden dat je niet {symptoom} kan doen? Wedden dat je het mij niet kan bewijzen?
  • “Je bent echt dom.” Met die zin doorbreek je het patroon nog eens extra. “Als je intelligent was had je het zo en zo aangepakt om persoon x, y en z echt goed te irriteren.
  • Erickson kreeg een client die wilde afvallen, maar ze kwam juist steeds aan. Ze haatte afvallen. Dus eiste Erickson dat ze precies 11 pond moest bijkomen die week. Ze doet het tegenovergestelde en valt juist af, óf ze komt 11 pond aan en heeft dus controle over haar gewicht. Dat is de presupposition.
  • Als de client al een hele tijd iets heel hard probeert vertel je haar dat ze juist het tegenovergestelde moet doen, bijvoorbeeld het wegnemen van zichzelf.
  • Een kind sloeg constant met deuren. Terwijl het kind iets anders leuk aan het doen was zei Erickson: “Wil je alsjeblieft de deur dichtslaan? Dankjewel.” Het kind deed het. “Doe het nog een keer.” Dankjewel. Doe het nog een keer.” Dankjewel. Doe het nog een keer. Ik sta erop.” “Maar ik ben mijn plaatjesboek aan het lezen.” “Aan de manier waarop je het deed dacht ik dat je het leuk vond.” “Ik hou echt niet van deuren slaan.”

Negeren

Door iets te negeren, bijvoorbeeld een belediging, erken je de realiteit van dat kader niet.

  • Belediging niet als belediging zien. Als je student een wit papier in levert. Je kan de student nog een kans geven door de inhoud te negeren en te zeggen: je vergat de datum en handtekening. Als je dat verbetert kan ik het pas nakijken.

Anker-kader

  • “Deze fout heeft ons 100 euro gekost!” “Dat valt mee ik dacht 1000.”
  • Dat valt me ik dacht de einde van de wereld

Accepteren en overdrijven

  • “Wat stom. Het regent.” “Klopt. Het is echt verschrikkelijk dat het regent. De wereld vergaat. Er is helemaal geen lichtpuntje.”
  • Je mag komende 9 dagen alleen nog maar chocolade eten en 4 glazen water. Hoe voel je je nu?
    Kom op neem er nog eentje,  je bent toch de chocolade kampioen?  Kom op. Is chocola niet het beste! Kan je het al proeven, maakt het je watertanden? Wees heel erg toegevend aan chocolade. Zet je allerslechtste beentje voor!
    “je kan me niet dwingen!”
    Kort daarna realiseerde de client wat hij zei.
    Dit doorbrak zijn patroon.
  • “Ben je zo stom?” “Alleen op woensdagen.”
  • “Niemand mag mij.” “Klopt. Helemaal niemand mag je. Er zijn zelfs geen uitzonderingen. Helemaal niemand.”

Het tegenovergestelde

  • “Ik denk steeds: is het al voorbij? Ik wil van die Gedachte af.”
    “Geen zorgen. Er is genoeg tijd.”
  • “Ik kan er niet zo veel bedenken.”
    “Ik weet dat je er zoveel wil vertellen maar je hoeft/mag er maar 1 te vertellen.”

Utilization

Utilization is ook een mooie manier om te herkaderen. Dit is echter een erg belangrijk begrip dat onder het idee ‘Volgen, dan leiden’ valt.

Gerelateerde artikelen: ook interessant?

Bedankt voor het lezen. Reageer even hieronder & deel dit met je vrienden!